Terug naar blog

Wat als je ineens... jezelf wordt?

Wat als je ineens... jezelf wordt?

Ina was zichzelf geworden. Niet zomaar natuurlijk, zoiets gaat niet zonder slag of stoot. Eerst was er de crisis. Martijn had haar verlaten, omdat hij ‘grillend gek werd van haar gezeik’. De oude Ina had dit als belediging opgevat, maar de nieuwe Ina - de echte Ina - had ingezien dat er een kern van waarheid in had gezeten.

Toen volgde de ‘journey’. Begeleid door diverse therapeuten die het één of juist het ander gedachtengoed aanhingen, ging Ina in gesprek met haar inner child, onderzocht ze haar onderbewuste, heelde zij haar wonden. Ina werkte aan haar ‘boundaries’. Al snel hield ze alleen de mensen over de bereid waren haar ‘boudaries’ te respecteren, maar dit was onderdeel van het proces. Daar had de therapeut voor gewaarschuwd. Deze mensen zaten nou eenmaal niet op haar energetisch niveau en hadden zodoende geen bijdrage te leveren aan haar nieuwe hoofdstuk.

Ina begon tijd te maken voor haar echte hobbies. Als een gek schikte ze iedere avond een paar uur lang bloemen. Dat vond niemand interessant behalve Ina zelf, en dat was oké. Externe validatie was een ding van het verleden en Ina was gelukkig, gebogen over een half afgemaakte compositie van veldbloemen, haar vingers licht plakkerig van het sap, haar hoofd leeg. Het atelier rook naar natte aarde en eucalyptus. De geur van rust, de geur van haarzelf. Het ging goed met de echte Ina.

Totdat het begon.

Eerst subtiel. Een flard. Een herinnering aan een presentatie die ze ooit had gegeven, de lof die daarop was gevolgd. Met schaamte dacht ze eraan terug: een presentatie over de rebranding van een falende, peperdure mannentassenlijn. De rebrandingscampagne had de tassen niet van de afgrond gered. Sterker nog, de rebranding had de neergang misschien wel versneld, gezien de tassenbedenkers hun laatste centen aan de rebranding hadden uitgegeven. Maar Ina had na de presentatie wel promotie gemaakt, zo veelbelovend had men het gevonden.

Toen volgenden onwillekeurig meer flitsen uit het verleden, herinneringen aan applaus en waardeering. Haar diploma-uitreiking, het moment dat haar naam die werd omgeroepen en zo voor al die mensen het podium op mocht. Ineens zag ze de finish van de marathon voor zich waar ze tijdens haar tweede burn-out zo godvergeten hard voor had getraind. Hijgend van de herinnering stond Ina met de veldbloemen in haar handen, het beeld van de medaille vlijmscherp voor de geest. Wat was dat heerlijk geweest!

Ze zuchtte en duwde de gedachten weg. Dit was oud. Dit was niet meer wie ze was. Lege prestaties waren het geweest, meer voor een ander dan voor haarzelf. Ze pakte een nieuwe tak en begon het in haar bloemstuk te frommelen.

Maar de gedachten kwamen terug. Hardnekkiger dit keer. Alsof haar onderbewuste, dat ze zo zorgvuldig had uitgeplozen tijdens haar ‘journey’, zich niet zomaar liet wegsturen. Ina stopte wat ze deed, ze legde de bloemen neer en haalde diep adem. Zo opende ze haar hart. ‘Ook dit mag er zijn,’ zei ze zachtjes tegen zichzelf, terwijl ze er heel erg naar verlangde dat het er niet zou zijn. De woorden voelden eerst als een trucje, iets wat ze had opgepikt van een van haar therapeuten, maar toen ze het herhaalde, rustiger nu, merkte ze dat er iets verschoof. De drang om haar oude herinneringen weg te duwen maakte plaats voor iets anders. Iets echters.

Ina ging zitten op de houten vloer van het atelier, precies in het midden van de ruimte om zich te verankeren in iets dat groter was dan haar gedachten. Zo had ze dat geleerd. Ze sloot haar ogen en riep de visualisatie op die ze zorgvuldig met haar therapeut had uitgewerkt.

Ze stelde zich haar oude Ina voor. Niet als persoon, maar als vorm. Als structuur. En die structuur vatte langzaam vlam. Niet explosief, maar wel onvermijdelijk. In haar gedachten keek Ina toe hoe alles wat die oude versie van haar was geweest langzaam oploste in hitte en licht, tot er niets meer overbleef dan as. 'De oude Ina mag gaan’ hoorde ze de zalvende stem van haar therapeut in haar achterhoofd, warm en precies gedoseerd. Daar had hij lang op geoefend. 'Bevrijd haar’.

Ina ademde in. En uit.

De oude vorm was niet meer te reconstrueren uit de as die overbleef. Maar wie goed keek, vond er nog de elementen van haar vroegere zelf: ambitie, de echo van applaus, resten bewijsdrang die hun vorm verloren hadden, maar niet volledig waren uitgebrand. De oude Ina was er nog steeds. Niet als vijand, maar als een versie van zichzelf die haar ooit had gediend.

En toen had ze het. De oude Ina verdiende een plek in haar nieuwe leven. De oude Ina had haar ten slotte hier gebracht. Ina liet de bos veldbloemen uit haar handen vallen, ze had nu belangrijkere dingen te doen. Jezelf werd je niet één keer, wist ze, jezelf was je door doorlopend in contact te blijven. En dus zou alles wijken, want Ina moest in contact! Ze sprong in haar auto om naar haar ouders te gaan. De laatste keer dat ze er was geweest was voor de afscheidsceremonie van haar oude zelf. Het opbergen van de dozen met spullen die haar echte ik niet meer dienden was daar onderdeel van geweest. Nadat ze de zolder van haar ouderslijk huis had uitgerookt met salie (voor de energie), had ze haar dozen er zorgvuldig opgeborgen. Ver weg van haar echte ik.

Maar nu waren de dozen weer nodig! De oude Ina mocht gezien worden, en hoe!

Diezelfde middag sleepte Ina de dozen van haar verleden het atelier in. Diploma’s, certificaten, foto's van zichzelf, slank, in dure merkkleding en de marathonmedaille, allemaal zorgvuldig bewaard. Ze zette ze neer in het midden van de ruimte en keek er een tijdlang naar.

Toen begon ze te bouwen. Ze zou ze niet zomaar ophangen, ze zou haar oude zelf reconstrueren via deze relikwieën. Laag voor laag groeide het aan de muur tegenover haar werktafel: haar academische bewijzen bovenaan, strak en officieel; daaronder de bedrijfsprijzen en certificaten van ‘excellent performance’; en iets lager, bijna plechtig, de marathonmedaille. Een altar voor de oude Ina.

Ze zette een stap achteruit. Nog een stap. Keek. ‘Dank je,’ zei ze zacht, zonder precies te weten tegen wie.

De bloemen bleven op tafel liggen, half geschikt, half vergeten. En wanneer er mensen over de vloer kwamen, alleen mensen van hetzelfde energetisch niveau uiteraard, dwaalde hun blik altijd eerst naar de muur. Niet naar haar bloemen, maar naar haar oude zelf. Soms vroegen ze zich af of ze er zelf ook zo'n altar zouden moeten maken.

De filosofie achter het verhaal

De zoektocht naar jezelf vraagt erom dat je naar binnen keert. Althans, dat is de overtuiging van Ina. En daarin is ze natuurlijk niet alleen, veel van ons zouden de aannames die daarachter schuilgaan zonder al te veel twijfel aannemen: Je bent een individu. Je interne leefwereld is echt én betekenisvol. Zonder te reflecteren op jezelf kan je jezelf niet kennen. Je kan authentiek zijn, of juist niet.

Maar, het moderne idee dat er een innerlijk zelf bestaat dat ontdekt en bevrijd kan (of zelfs moet) worden is helemaal niet vanzelfsprekend. Het is historisch gegroeid. Verschillende denkers door de eeuwen heen hebben hier, ieder vanuit hun eigen context en tijdsgeest, aan bijgedragen. En wij hebben het overgenomen.

Sigmund Freud (1856–1939) en Carl Jung (1875–1961) speelden hier redelijk recent een belangrijke rol in. Zij dichtten het onderbewuste een grote rol toe in menselijk handelen. In het onderbewust liggen volgens hen verlangens, angsten, conflicten en patronen verborgen die je bewuste zelf niet volledig overziet maar die je handelen wel drijven. Het onderbewuste bewust maken werd door hen gezien als een essentieel proces om jezelf te leren kennen en regie te kunnen nemen over je handelen. Of, zoals Jung vaak onheilspellend wordt geparafraseerd: ‘Until you make the unconscious conscious, it will direct your life and you will call it fate’.

Maar is er eigenlijk bewijs voor het onderbewuste? Ja, natuurlijk. Veel van wat we doen verloopt automatisch. Je motorische geheugen bijvoorbeeld, fietsen zonder over elke beweging na te denken. Dat soort processen spelen zich buiten het bewustzijn af, zonder dat daar meteen een verborgen ‘waar ik’ achter hoeft te worden verondersteld. Iets ingewikkelder wordt het bijvoorbeeld bij herinneringen, zeker degene die we alweer vergeten zijn. Het is de vraag in hoeverre (vergeten) ervaringen uit ons verleden nog actief doorwerken in ons handelen, zoals in klassieke psychoanalytische theorieën wordt gesuggereerd. Speelt de vroege hechting met je vader of moeder een rol in je keuze voor een partner? Of is dat een verhaal dat achteraf wordt geconstrueerd om patronen betekenis te geven?

Voordat Freud en Jung op deze wijze over de innerlijke wereld van de mens konden spreken, moest het idee van een innerlijk zelf natuurlijk al vorm hebben gekregen. Jean-Jacques Rousseau (1712 – 1778) deed daarvoor een belangrijke aanzet. In zijn invloedrijke opvoedkundige werk Émile, ou De l’éducation (1762) stelde hij dat elk kind in aanleg goed is, en vooral wordt vervormd door de samenleving. Wie een mens tot ontwikkeling wil brengen, moet daarom zo min mogelijk ingrijpen en het kind zoveel mogelijk in overeenstemming met zijn natuur laten opgroeien. Dat ideaal is natuurlijk lastig om radicaal in de praktijk te brengen, want kinderen zijn naast puur vooral ook erg afhankelijk van de samenleving. Maar echo’s van dit principe kennen we zeker nog, bijvoorbeeld in het onderwijs. Het wemelt in Nederland van de Montessori scholen, gebouwd rond het motto ‘leer mij het zelf te doen’, wat de waarden van Rousseau weerspiegelt. Rousseau zelf kreeg overigens vijf kinderen, die hij allen liet onderbrengen in vondelingenhuizen. Of dat haaks stond op zijn pedagogische overtuigingen, of juist een radicale toepassing daarvan was, blijft een ongemakkelijke vraag.

Wat bij Rousseau in elk geval duidelijk wordt, is het groeiende geloof in een innerlijke, goede kern in de mens. Een kern die eerder wordt verstoord door de buitenwereld dan geholpen. Om je authentiek te ontwikkelen, moet je dat zoveel mogelijk zelf doen, zodat je dicht bij die kern blijft.

Ook Rousseau bouwde hiermee voort op een bestaand gedachtengoed, uiteindelijk staat niemand los van zijn tijdsgeest. Zo was er voor hem John Locke (1632–1704), van de nog steeds zeer bekende ‘tabula rasa’, het onbeschreven blad. Zijn idee; je wordt geboren zonder aangeboren ideeën en gevormd door wat je meemaakt. Je bent in beginsel dus goed noch slecht, je bent gewoon. David Hume (1711–1776) trok de lijn nog verder door en betwijfelde of een vaste kern überhaupt wel bestaat. Wie volgens hem eerlijk naar binnen kijkt, vindt geen onveranderlijk zelf, maar slechts een voortdurende stroom van indrukken, gedachten en gevoelens. Zoals hij schreef, ‘ik ben niets anders dan een bundel van mijn waarnemingen’.

Maar dit alles staat in schril contrast met hoe in de oudheid over de mens werd gedacht. Voor Griekse denkers - Socrates (ca. 470 - 399 v.Chr.), Plato (ca. 427 - 347 v.Chr.), Aristoteles (384 - 322 v.Chr.) - lag de nadruk minder op het blootleggen van een verborgen innerlijk, en meer op de vraag hoe een mens behoort te leven. Zelfonderzoek kenden zij zeker, maar niet in de moderne therapeutische betekenis. Het idee dat iemand vooral zijn trauma’s, verdrongen verlangens of authentieke identiteit moet ontsluiten, zou hun vreemd hebben geleken.

Wat maakte iemand tot wie hij was? Zijn afkomst en plaats in de gemeenschap speelden een rol, maar ook zijn karakter en handelen. De mens werd begrepen als een wezen dat gevormd wordt in relatie tot anderen, binnen gezin, stad en traditie. De centrale vraag was daarom minder ‘wie ben ik diep vanbinnen?’, maar meer ‘welk soort mens word ik door wat ik doe?’

Wat goed of deugdelijk was, hoefde je niet in jezelf te zoeken. Het lag in belangrijke mate buiten het individu besloten, in een gedeelde werkelijkheid van normen, rollen, voorbeelden en idealen. Door je daarop te richten en ernaar te handelen, kon je een goed leven leiden. Ongeacht je verleden, en ongeacht eventuele tegenslagen.

De vraag is dan misschien niet alleen hoe wij zijn gaan geloven in een innerlijk zelf dat ontdekt moet worden. Misschien is de belangrijkere vraag wat dat geloof ons heeft opgeleverd, en wat het ons heeft doen vergeten. Want als we onszelf vooral zijn gaan zien als een project van zelfkennis, therapie en authenticiteit, wat gebeurt er dan met oudere inzichten: dat een mens ook gevormd wordt door gewoontes, plichten, relaties en de manier waarop hij handelt? Zijn we onderweg niet ook wat kwijtgeraakt?