Terug naar blog

Wat als je ineens... in God gelooft?

Wat als je ineens... in God gelooft?

‘Ok gasten, dan is het besloten, Laurens is uitgestemd', sprak de nestor, ‘Ik ga het hem morgen vertellen’. Even was de sfeer gespannen. Het was jaren geleden dat er voor het laatst iemand uit het studentenhuis was gezet. Een pijnlijk besluit.

Snel pakte een van de huisgenoten de bijbel die Laurens de dag ervoor met veel omhaal aan het huis had aangeboden. Hij begon eruit te lezen, met serieuze, diepe stem. De lachers op zijn hand.

‘Er is een plan voor ons allemaal!’, riep een ander, Laurens imiterend. Nog meer gelach.

‘Gast hij meende het echt he, wat de fuck!’

‘He pas op man’, grapte er nog een, ‘Laurens ként God’.

Laurens zelf was er niet. Hij had de huisvergadering laten schieten voor een samenzijn met zijn nieuwe bijbelkring. Een doodzonde, volgens de corporale huisregels - de huisvergadering was heilig. Toevallig kwam het de mannen dit keer wel goed uit, Laurens was ten slotte gesprekonderwerp nummer één van deze vergadering. Dat was hij in feite al geweest sinds ‘de openbaring’ een kleine maand eerder.

‘De openbaring’, zoals Laurens het zelf noemde, was alombekend geworden onder de studenten. Het gebeurde op een donderdagavond op de sociëteit, ergens tussen biertje nummer 5 en biertje nummer 6. Het licht had geflikkerd en een gek, zoemand geluid gemaakt, best hard. De ruimte werd even stil. En toen had Laurens ‘de aanwezigheid’ gevoeld. Niet gezien, niet gehoord - gevoeld. Alsof God hoogstpersoonlijk zijn armen om hem heen had geslagen.

Niemand anders had een aanwezigheid gevoeld, maar allemaal wisten ze nog wel hoe Laurens zich na het wegvallen van het licht had gedragen. Laurens, die saaie jongen van het mannenhuis op de Herengracht, was midden in de grote, vrij lege zaal gaan staan, had zijn armen geheven en sprak ineens de menigte toe. De menigte die er nauwelijks was. De meesten negerden hem, Laurens had ook eerder nooit op veel aandacht kunnen rekenen. Hij voerde het schouwspel verder op, intenser dan iemand hem ooit had meegemaakt. Hij ging roepen over God en de redding. Hij had zijn biertje boven zijn hoofd gehouden alsof het een relikwie was, terwijl het schuim langzaam over zijn pols droop.

Een paar vrouwelijke studenten fronzden verveeld hun wenkbrouwen. Nog zo'n aandrachtrekker, dat viel hun toch een beetje van hem tegen. De mannen waren er inmiddels voor gaan staan. Sommigen moedigden Laurens aan, niet omdat ze er echt de humor van inzagen, maar omdat ze konden teren op de plaatsvervangende schaamte. Toen hij Joris, praeses van de societeit, bij zijn schouders pakte, hem diep in de ogen gekeken en zei: “Broeder, jij hoeft niet bang te zijn, jij wordt gedragen!’, had Joris hem een klap voor zijn bek gegeven en was de show voorbij. Zijn huisgenoten, die zagen dat het met hem niks meer ging worden die avond, droegen de sjaars op om hem van de grond te rapen en te zorgen dat hij thuis kwam.

Natuurlijk was iedereen ervan uitgegaan dat dit dronkenschap was. Ja ok, de uitbarsting was wat heftig en super genant maar wel te verklaren, morgen zou alles weer bij het oude zijn en was iedereen een goed verhaal rijker. Laurens zou dit nog wel even terughoren.

Maar de volgende dag was Laurens niet de oude. Hij hield niet op over ‘de openbaring’, maar nu met een zachte stem en een indringende blik. Te pas en te onpas ging hij voor anderen bidden. Voor hun welzijn, hun roeping of hun te schijnen licht. Kortom, vreselijk irritant.

De dag na de huisvergadering had Dirk, de nestor, de anderen verzocht om uit hun gemeenschappelijke woonkamer te blijven. Hij wachte daar op Laurens voor het gesprek en wilde daar geen publiek bij. Het was allemaal al ongemakkelijk genoeg. Dirk had nog nooit iemand uit huis hoeven zetten, hij had geen idee hoe je zoiets eigenlijk deed. Hij wist wel dat hij het moest doen, hij was tenslotte de nestor en ook dit hoorde erbij. Toen het wachten hem begon te benauwen, stond hij op en liep de trap op naar de kamer van Laurens. Hij klopte hard op Laurens’ deur, harder dan nodig was. Laurens deed open met een vreemde glimlach, die Dirk direct het bloed onder de nagels vandaan haalde.

‘Laurens, we moeten praten’, zei Dirk in de deuropening.

Laurens knikte langzaam, alsof hij al wist wat er ging komen.

‘Dit gaat dus niet he,’ zei de nestor, ‘Prima als je God hebt gezien of zo maar je gedraagt je als een idioot. Mega irritant.’

Laurens knikte weer.

‘Iedereen vindt het mega irritant’, zette Dirk zijn punt nog wat kracht bij. Laurens knikte niet meer, keek naar de grond. Geen verdere reactie.

‘Dus nou ja, we hebben gister besloten dat je moet vertrekken’.

Stilte.

‘We hebben je uitgestemd'.

Een vaag knikje.

‘Wil je dat ik je ouders even bel of zo?’

Laurens schudde zijn hoofd, nu toch snel, zichtbaar aangedaan bij de gedachte aan zijn ouders.

‘Ok, ga je nog iets zeggen dan?’, Dirk wist niet wat hij met de situatie aan moest. De irritatie die hij de afgelopen weken had gevoeld ging even liggen, nu hij Laurens ongemakkelijk in zijn handen zag wrijven. Dit was natuurlijk gewoon kut voor hem. Maar ook voor Dirk, dit deed hij ten slotte ook niet voor zijn lol. Dirk wilde zich net omdraaien om zo snel mogelijk weg te komen, toen hij Laurens hoorde zeggen:

‘Als dit het pad is dat mij wordt gewezen, dan zal ik het volgen.’

Alle irritatie was direct weer terug.

‘Ok man, top.’ snauwde Dirk over zijn schouder terwijl hij de trap al afliep.

‘Wat een kneus’, verzuchte hij nog.

Laurens stond nog een tijdje in de deuropening. Hij voelde een steek van schaamte bij het horen van Dirk’s spottende laatste woorden. Heel even vroeg hij zich af of hij te ver was gegaan. Of hij had moeten zwijgen. Of hij had moeten doen alsof. Maar dat moment ging voorbij. Er was geen weg terug. Niet voor hem.

Hoe moest hij dit in hemelsnaam aan zijn ouders vertellen? Zijn vader, die nog steeds zijn oude dispuutsdas droeg bij lustrumdiners op de sociëteit. Zijn moeder, die kon glimmen van trots als ze vertelde dat Laurens ‘het zo goed deed in de stad’. Zij hadden hem grootgebracht in deze wereld, hem voorbereid op precies dit leven. En nu werd hij eruit gezet.

Laurens liep naar de deur van ‘zijn’ huis aan de Herengracht en pakte zijn jas van de kapstok. Zijn blik bleef even hangen bij de sociëteitsdas die ernaast hing, het oude ding dat zijn vader hem had gegeven toen hij lid was geworden. Hij durfde hem niet aan te raken. Buiten voelde hij de koude lucht op zijn gezicht slaan. Boven hem hing de grijze hemel, die nergens op leek te wachten. Hij fluisterde iets, hij wist zelf niet precies wat, en voelde voor het eerst sinds de openbaring niet de aanwezigheid, maar het gat dat het had achtergelaten.

De filosofie achter het verhaal

De vraag of God bestaat is ouder dan de filosofie zelf, maar voor dit verhaal is dat eigenlijk bijzaak. Het gaat niet om de waarheid van het geloof, maar om de gevolgen ervan: wat er gebeurt wanneer iemand ineens in God gelooft?

De openbaring van God aan Laurens komt op zijn omgeving absurd over. Het zou best kunnen dat ook jij bij het lezen hebt gedacht ‘wat een karikatuur, het geloof als een openbaring!’. En toch gebeurt het, en volgens William James (1842 - 1910), die talloze beschrijvingen van religieuze ervaringen bestudeerde is de ervaring voor degene die hem heeft niet alleen overtuigend maar zelfs onomkoombaar. Voor de buitenstaander blijft het per definitie twijfelachtig. James concludeerde dat religieuze openbaringen steevast de zelfde kenmerken hebben: ze zijn moeilijk onder woorden te brengen, de ervaring voelt als een vorm van inzicht of waarheid, ze zijn van korte duur en ze worden beleefd als iets dat iemand overkomt, niet als iets dat men zelf oproept. Laurens is met zijn ervaring dus niet uniek, en de reactie van de groep op zijn ervaring is dat ook niet.

Tegelijkertijd is het natuurlijk zo dat veel gelovigen niet via een openbaring bij God zijn gekomen, maar dat God hen met de paplepel is ingegoten. Je gelooft wat je ouders geloven of bent in elk geval onderdeel van de kerkgemeenschap waar ze je wekelijks mee naartoe hebben genomen. Thomas Hobbes (1588), vroegmodern filosoof, zag religie meer vanuit dit perspectief en niet als individuele ervaring. Hij noemde het geloof een noodzakelijke structuur voor een maatschappij. De grootste bedreiging voor een maatschappij is chaos, stelde Hobbes, en religie is daarvoor het tegengif. Religie geeft normenkaders waarnaar mensen kunnen leven, waarmee sociale cohosie ontstaat en stabiliteit wordt gerealiseerd. Althans, als er één religie is, met één normenkader. Meerdere religies met concurerende of zelfs tegenstrijdige normenkaders zouden maatschappelijke chaos eerder in de hand werken. Hobbes stelt daarom voor dat ‘de souverein’, laten we het de staat noemen, ook religieuze autoriteit zou moeten hebben en dus de religie en het bijbehorende normenkader voor zou moeten schrijven. Dat gaat dan weer wat ver volgens de huidige, westerse tijdsgeest, maar het principe is natuurlijk alles behalve onbekend. Sterker nog, de restanten van dit principe zijn in veel hedendaagse westerse maatschappijen te vinden, denk bijvoorbeeld aan denk bijvoorbeeld aan nationale feestdagen als Kerst en Pasen, die officieel door de staat worden erkend en vrij geroosterd, ondanks het verder seculiere karakter van de samenleving.

Hier hebben Laurens en zijn waarnemingen natuurlijk niets aan. Persoonlijk geloof laat zich niet gieten in een door de staat voorgeschreven religieuze doctrine. Toch laten mensen zich religieuze doctrine in grote getalen en heel gewillig opleggen. Een individuele regileuze ervaring is daar helemaal niet voor nodig. Religie wordt omarmd, aldus Hobbes, omdat het een uitweg biedt voor een fundamentele menselijke angst; de angst voor het onbekende. Religie verklaart het onbekende en dus zijn mensen geneigd om deze uitweg met beide handen aan te grijpen.

Wat Hobbes laat zien, is dat mensen zich graag voegen naar een gedeeld normenkader, of dat nu religieus is of niet. Je hebt geen godservaring nodig om onderdeel te worden van een gesloten gemeenschap. Het enige wat nodig is, is een gedeeld wereldbeeld. Daarin zijn kerk en corps bijvoorbeeld helemaal niet eens zo verschillend. Voordat God zich aan Laurens openbaarde, deelde Laurens een wereldbeeld met zijn corpsvrienden. Een wereldbeeld gestoeld op plezier, elitaire traditie en status. Na de openbaring van God, is Laurens wereldbeeld ingrijpend verandert. Met vervreemding van zijn vrienden tot gevolg.

Laurens wordt daarmee een bron van ongemak voor de groep. Een afvallige, zou je kunnen zeggen. Zijn aanwezigheid is verstorend voor het gedeelde wereldbeeld, het wordt impliciet ter discussie gesteld. De groep herstelt zich door hem buiten te slutien. Volgens René Girard (1923–2015) stabiliseren gemeenschappen zich soms door een zondebok aan te wijzen: iemand die afwijkt en daarom collectief wordt buitengesloten. Door de uitsluiting herstelt het gevoel van orde in de groep.

Het verhaal van Laurens laat daarmee een klassiek filosofisch probleem zien. Religieuze ervaringen zijn diep persoonlijk, maar gemeenschappen zijn noodzakelijk om betekenis, erkenning en stabiliteit te bieden. Wie een geloof ontwikkelt dat niet past binnen de gemeenschap waarin hij leeft, loopt het risico beide te verliezen: de zekerheid van de groep en de zekerheid van de wereld die hij kende.